Verlenging korting op brandstofaccijnzen is een populistische maatregel, sinds WO II is benzine niet eerder zo betaalbaar geweest.

Begin 2022 gingen de energieprijzen in korte tijd snel omhoog, waaronder ook de brandstofprijzen aan de pomp. De gemiddelde adviesprijs van benzine (euro 95) steeg in maart naar bijna 2,50 euro (langs de snelweg). Het kabinet besloot daarom in dezelfde maand om per 1 april 2022 de accijnzen tijdelijk te verlagen. Benzine met 17 cent en diesel met 11 cent. Dit om de gevolgen voor de portemonnee te beperken. Het was volgens het kabinet vooral bedoeld voor mensen ‘die het niet te breed’ hadden.

De genomen maatregel was discutabel. In de eerste plaats stond de prijs historisch gezien helemaal niet zo hoog. Ten opzichte van het modale inkomen was het prijsniveau te vergelijken met dat in de jaren tachtig. Maar daarnaast kwam de maatregel vooral ten goede aan de hogere inkomens. Zij reden op jaarbasis de meeste kilometers en met de grootste en zwaarste auto’s, die het hoogste brandstofverbruik hebben. De maatregel was daardoor weinig doelgericht.

Vier maanden later waren de prijzen aan de pomp weer gedaald naar het niveau van voor de Russische inval in Oekraïne. De adviesprijs van benzine lag op zo’n 2,15 euro en bij onbemande pompen kon al weer voor minder dan 2 euro of zelfs op enkele plaatsen voor minder dan 1,90 euro worden getankt. Dit prijspeil is te vergelijken met het huidige prijspeil. In de eerste twee kwartalen van dit jaar stonden de benzinekosten historisch gezien en ten opzichte van het modale inkomen op bijna het laagste niveau ooit (sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog). Tanken en rijden met een auto is in de afgelopen twintig jaren niet zo goedkoop geweest. En zelfs zonder de nu nog geldende korting op de accijnzen en met optel van de prijsinflatie zouden de benzineverbruikskosten lager zijn dan twintig jaar geleden.

De regeling loopt op 1 januari 2026 af. Wanneer dit niet wordt verlengd, gaat de benzineprijs (inclusief prijsinflatie) met zo’n 25 cent per liter omhoog. Vanaf maart dit jaar verschenen er berichten in kranten waarin belangenorganisaties en politici pleitten voor handhaving van de korting. Dit om de mobiliteit betaalbaar te houden. Toenmalig minister Madlener (PVV) verklaarde in maart: ‘Dit is gewoon een aanslag op je portemonnee’. De ANWB schreef in april: ‘Steeds meer mensen hebben moeite de stijgende kosten voor hun autogebruik te betalen’. De VVD schrijft in het concept verkiezingsprogramma over de aankomende afloop van de regeling: ‘Als we niks doen, dreigt autorijden voor een grote groep Nederlanders onbetaalbaar te worden’. Ja21 en de PVV willen zelfs de accijnzen verlagen, omdat de gewone burger niet uit zijn auto moet worden gepest. Een verlenging van de huidige korting kost de schatkist echter ruim 1,5 miljard euro per jaar, geld dat elders gevonden zal moeten worden. Meest waarschijnlijk is dat er elders bezuinigd zal worden, zoals bijvoorbeeld op de zorgkosten of uitgaven aan politie (dat al 500 miljoen tekort komt).

Het is al meer dan vijftig jaar het gebruikelijke verhaal: Onder het mom dat een armlastig deel van de automobilisten geen auto meer zou kunnen rijden, worden misleidende pleidooien gevoerd tegen voorgestelde belastingmaatregelen. Maar ondertussen hadden de hogere inkomens het meeste profijt van het fiscale beleid en werd autorijden voor iedereen goedkoper. Zichtbaar gevolg hiervan is het voortdurend toenemend autobezit en autogebruik in ons land (met weer kostbare gevolgen voor de schatkist, zoals uitbreiding van de infrastructuur). Fiscaal gezien doet het kabinet er zodoende verstandig aan ditmaal de korting op de accijnzen niet te verlengen.

Een ingekorte versie hiervan werd gepubliceerd in Trouw.

De onderbouwing:

Nu zal dit verhaal wellicht de wenkbrauwen doen fronzen. Want het veelvuldig uitgedragen beeld van maatschappelijke organisaties, kranten en politici is immers dat autorijden steeds duurder wordt en dat dit op z’n minst betaalbaar moet blijven. Het is duidelijk dat in de loop van de jaren de benzineprijs steeg. Daarom zal eerst een grafiek worden getoond met het verloop van de gemiddelde jaarlijkse prijs van een liter benzine aan de Nederlandse pomp. Deze prijs is inclusief de accijnzen en de belasting.

Het beeld hiervan is duidelijk. De prijs van benzine is in de loop van de jaren opgelopen. Het verloop van de benzineprijs door de jaren heen zegt echter nog niet zoveel over de betaalbaarheid van benzine. Om daarvan een idee te krijgen worden in de volgende grafiek de prijs van 1.000 liter benzine vermeld, net als het bruto modaal jaarinkomen in euro’s.

Blauw is het bruto modaal jaarinkomen, rood is de prijs van 1.000 liter benzine.

Uit deze grafiek blijkt dat de kosten van 1.000 liter benzine ten opzichte van het modaal inkomen sterk zijn afgenomen. Maar dat is nog niet alles. Bij gebruik van een dergelijke hoeveelheid benzine kon men in de jaren vijftig en zestig, bij een brandstofverbruik van 1 op 10, circa 10.000 kilometer per jaar rijden. Een verbruik van 1 op 10 was in die tijd het brandstofverbruik van bijvoorbeeld een Volkswagen ‘Kever’. In 2016 hadden de 50 best verkochte benzineauto’s een gemiddeld brandstofverbruik van minder dan 1 op 20. Daarmee kon met 1.000 liter benzine een afstand van 20.000 km worden afgelegd.

We moeten zodoende niet alleen kijken naar de brandstofkosten, maar ook naar het brandstofverbruik van een auto om de betaalbaarheid van benzine na te gaan. Wie in de jaren vijftig jaarlijks ongeveer 15.000 km reed, met een auto die 1 op 10 verbruikte, tankte op jaarbasis ongeveer 1.500 liter benzine. In 1950 bedroegen de kosten daarvan bijna 14 procent van het modale inkomen. In 1960 vergde een dergelijke hoeveelheid benzine ruim 12 procent van het inkomen. Hierna namen de gebruikskosten verder af. Tien jaar later, in 1970, was dat ruim 7 procent van het modale inkomen. In de daarop volgende jaren daalde het percentage verder, dit ondanks de prijsstijgingen van oliecrisis en belastingverhogende maatregelen. In 1995 vergde het gebruik van 1.500 liter benzine bij een brandstofverbruik van 1 op 10 zo’n 5,8 procent van het bruto modale inkomen. Hierna namen de brandstofkosten ten opzichte van het modale inkomen weer wat toe. Van het jaar 2000 tot en met 2018 was dat gemiddeld 6,9 procent. Het prijsniveau in verhouding tot het modale inkomen, lag de afgelopen twintig jaar op min of meer gelijk en tevens op ongeveer hetzelfde niveau als in 1970.

Maar, in de jaren zestig verbruikte de Volkswagen (en vele andere auto’s) circa 1 : 10. De latere (kleine) gezinsauto’s waren zuiniger en verbruikten minder benzine door de toepassing van zuiniger motoren. Om een berekening van de brandstofkosten te maken, wordt aangenomen dat de auto’s tot bouwjaar 1980 1 op 10 verbruikten. Van auto’s tot bouwjaar 1990 wordt aangenomen dat deze 1 op 12 verbruikten Tot het jaar 2000 wordt een verbruik van 1 op 14 aangenomen en daarna een verbruik van 1 op 16 (dit laatste cijfer is minder dan het gemiddeld verbruik van de 50 best verkochte benzineauto’s in 2016, die verbruikten gemiddeld minder dan 1 op 20). Als jaarlijkse afstand wordt 15.000 kilometer genomen. Het gemiddelde jaarkilometrage per auto lag namelijk tussen 1960 en 2000 volgens het CBS op circa 15.000 tot 16.500 kilometer per jaar. Na 2000 bedroeg dat net iets minder dan 15.000 kilometer. Daarbij reed de particulier overwegend wat minder, de zakelijke rijder wat meer. Rekening houdend met de dalende verbruikscijfers en een jaarlijkse afstand van 15.000 km, worden in de volgende grafiek de brandstofkosten in percentage van het modaal inkomen weergegeven.

De kosten van benzine per jaar bij het rijden van 15.000 kilometers, in percentage van het bruto modaal jaarinkomen.

Doordat de auto’s zuiniger werden, werden de ‘hogere’ brandstofkosten hierdoor gecompenseerd. Vanaf 1990 bedroegen de kosten voor het rijden van 15.000 km per jaar minder dan 5 procent van het bruto modaal jaarinkomen. Ondanks de latere prijsstijging voor een liter benzine van gemiddeld € 1,35 in 2005 naar gemiddeld € 1,64 in 2019 en € 2,07 in 2022, bleef het percentage vanaf 1990 bijna altijd onder het percentage van 5 procent. Alleen in het crisisjaar 2012, toen de benzineprijs naar gemiddeld € 1,76 steeg, en na de inval in Oekraïne door Rusland in 2022 kwam het percentage op 5 procent van het modaal bruto jaarinkomen. In dat laatste jaar was het mede dankzij de verlaging van de accijnzen dat het percentage niet nog iets hoger uitviel.

Daarna daalden de brandstofprijzen weer. In de eerste twee kwartalen van 2025 bedroegen de benzinekosten voor het rijden van 15.000 km 3,9 procent van het bruto modaal jaarinkomen. Dat is gelijk aan het jaar 2009 en ééntiende procent meer dan in de jaren 2002 en 2003. De benzinekosten liggen zodoende op dit moment historisch laag. En wie met gebruik van een app op zijn mobiel bij een onbemande pomp gaat tanken, kan nog goedkoper uitzijn. Zelf wanneer de accijnsverlaging per 1 januari 2026 wordt geschrapt en de benzineprijs met 26 cent omhoog gaat, dan zal men hiervoor circa 4,2 procent van het bruto modaal jaarinkomen gaan betalen. Dat is vergelijkbaar met afgelopen decennia, toen het autobezit en gebruik bijna jaarlijks toenam. Van een veronderstelde ‘onbetaalbaarheid’ voor een groot deel van de automobilisten is zodoende nog lang geen sprake. Wanneer de accijnsverlaging wordt gehandhaafd, is benzine sinds WO II niet eerder zo betaalbaar geweest.

Benzineprijzen zijn op een mobiel te raadplegen, zoals hier in en rond Zaltbommel.
Stem of voeg toe aanUitleg over het gebruik van deze icons :  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Abonneer je op de RSS-feed van deze site